The subject

Spelling

From guessing to knowing it. Learnbits.app practises with your child: Dutch verb spelling. 8 minutes a time, 3 times a day, and then it locks until tomorrow. No multiple choice, no ads, and an explanation after every mistake.

19 rungs43 blocks424 facts

Spellie

Straight from the app

Not just what, but how

Every sum, every word and every place has one way you do it. It appears before the session, during the question when you get stuck, and once more after a mistake. Here are four, exactly as your child gets them.

werkwoordspelling

Hak in stukjes en luister naar de klank

Eén of twee medeklinkers?

bo-men = bomen · bom-men = bommen

How you do it

  1. Hak het woord in stukjes: bo-men of bom-men.
  2. Klinkt het eerste stukje lang (bo), dan schrijf je één medeklinker.
  3. Klinkt het kort (bom), dan schrijf je er twee.

Spelling

What is in it

Every domain, every strand and every rung, straight from the file the app draws its questions from. A short placement test sets your child at the right height. 19 rungs · 43 blocks · 424 facts.

Woorden die je kunt horen

Hakken en luisteren

  1. 1Woorden die je kunt horenHak het woord in klanken en schrijf op wat je hoort. Voor wie net begint.
    • Hak het woord in klanken
    • Ng of nk?
    • Aai, ooi of oei?
    • Eer, oor of eur?
    • Eeuw, ieuw of uw?
    From year 3 · 50
Woorden met een regel

Kort of lang

  1. 1Kort of langBomen of bommen: één medeklinker of twee, afhankelijk van de klank.
    • Eén of twee medeklinkers?
    From year 4 · 10
Woorden met een regel

Verkleinwoorden

  1. 1VerkleinwoordenHuisje, boompje, mannetje: welke staart hoort bij welk woord?
    • Verkleinwoorden: -je, -tje of -pje
    • Verkleinwoorden: -etje of -kje
    From year 4 · 20
Woorden met een regel

Verlengen

  1. 1Maak het woord langerHand of hant, snelheid of snelheit: verleng het woord en je hoort het.
    • Eindigt het op d of t?
    • Eindigt het op b of p?
    • Eindigt het op f of v, s of z?
    • Eindigt het op -heid?
    From year 5 · 40
Woorden met een regel

Voorvoegsels

  1. 1Be-, ge-, ver- en ont-De doffe klank vooraan schrijf je met een e. Altijd.
    • Be-, ge-, ver- of ont-?
    From year 5 · 10
Woorden met een regel

Meervoud

  1. 1Meervoud: 's en tremaAuto's met een apostrof, zeeën met twee puntjes — allebei om verkeerd lezen te voorkomen.
    • Meervoud met 's
    • Het trema
    From year 6 · 20
Woorden met een regel

Samenstellingen

  1. 1Twee woorden aan elkaarPannenkoek, stationsplein, zee-egel: wat komt er tussen die twee woorden?
    • Samenstellingen met tussen-n
    • Samenstellingen met tussen-s
    • Het koppelteken
    From year 7 · 28
Woorden om te onthouden

Klanken die hetzelfde klinken

  1. 1Ei of ij, au of ouKlanken die precies hetzelfde klinken. Hier helpt geen regel, alleen kijken.
    • Ei of ij?
    • Au of ou?
    From year 5 · 20
  2. 2Cht of gtHet licht en hij ligt: een ding of een werkwoord, en dat scheelt een letter.
    • Cht of gt?
    From year 6 · 10
  3. 3G of chLachen of laggen: precies dezelfde klank, twee schrijfwijzen.
    • G of ch?
    From year 6 · 10
Woorden om te onthouden

Uit een andere taal

  1. 1Woorden uit een andere taalDe c van cirkel, de -tie van politie, de g van garage: kijken en onthouden.
    • De c: als s of als k?
    • De i die als ie klinkt
    • Eindigt het op -tie?
    • Woorden uit een andere taal
    • De Griekse y
    From year 6 · 48
Woorden om te onthouden

Doffe staarten

  1. 1Staarten die dof klinken-ig of -lijk, en -isch dat als "ies" klinkt.
    • -ig of -lijk?
    • Eindigt het op -isch?
    From year 7 · 20
  2. 2Staarten met -te, -de of -enHoogte of hoogde, wollen of wolle: staarten die je nauwelijks hoort.
    • Woorden op -eren, -elen of -enen
    • Eindigt het op -te of -de?
    • Waar is het van gemaakt?
    From year 6 · 30
Woorden om te onthouden

Klanken die er niet staan

  1. 1Klanken die er niet staanJe zegt "wurum" en "bavijaan" — maar die u en die j schrijf je niet.
    • De klank die je hoort maar niet schrijft
    • De j en de w die je niet schrijft
    From year 6 · 18
Werkwoorden

Werkwoordregels

  1. 1Tegenwoordige tijdDe ik-vorm, de hij-vorm met -t, de dt-regel en jij achter het werkwoord.
    • Tegenwoordige tijd: ik-vorm
    • Tegenwoordige tijd: hij, zij, het
    • De dt-regel
    • Jij achter het werkwoord
    From year 6 · 40
  2. 2Verleden en voltooid't Kofschip, het voltooid deelwoord met -t of -d, en de verwarring ertussen.
    • Verleden tijd: 't kofschip
    • Voltooid deelwoord: -t of -d
    • Voltooid deelwoord of tegenwoordige tijd?
    From year 7 · 30
  3. 3Sterke werkwoordenDe onregelmatige werkwoorden in verleden tijd en voltooid deelwoord.
    • Sterke werkwoorden: verleden tijd
    • Sterke werkwoorden: voltooid deelwoord
    From year 8 · 20
  4. 4Alle werkwoordregelsVan de ik-vorm tot de sterke werkwoorden.
    • Tegenwoordige tijd: ik-vorm
    • Tegenwoordige tijd: hij, zij, het
    • De dt-regel
    • Jij achter het werkwoord
    • Verleden tijd: 't kofschip
    • Voltooid deelwoord: -t of -d
    • Voltooid deelwoord of tegenwoordige tijd?
    • Sterke werkwoorden: verleden tijd
    • Sterke werkwoorden: voltooid deelwoord
    From year 8 · 90

Alles

  1. 1Alle spellingVan kort-of-lang tot de sterke werkwoorden — alles door elkaar.
    • Hak het woord in klanken
    • Ng of nk?
    • Aai, ooi of oei?
    • Eer, oor of eur?
    • Eeuw, ieuw of uw?
    • Eén of twee medeklinkers?
    • Verkleinwoorden: -je, -tje of -pje
    • Eindigt het op d of t?
    • Eindigt het op b of p?
    • Eindigt het op f of v, s of z?
    • Ei of ij?
    • Au of ou?
    • +31
    From year 8 · 424

Try it today, free

Two minutes without an account, or a free account for the whole family straight away. Nothing to install and no card details needed.